HomeMedisch WoordenboekLinksSitemapContact

3.7 Prognostische factoren

Stilaan wordt duidelijk dat zelfs de groep van multipel myeloom heterogeen is wat betreft de respons op behandeling. Dit is niet alleen het gevolg van de uitgebreidheid van de ziekte, maar ook van de karakteristieken van de plasmacellen die niet dezelfde zijn bij elke individuele patiënt. Als gevolg daarvan gaan sommige patiënten met een zelfde ziektestadium toch verschillend antwoorden op een vergelijkbare behandeling. Daarom tracht men te achterhalen welke kenmerken van de ziekte een goed of minder goed antwoord op de behandeling voorspellen. Dit zijn de zogeheten prognostische factoren. Op basis van deze parameters hoopt men in de toekomst de behandeling nog meer te kunnen individualiseren, of "op maat te maken".

De meeste van deze testen kunnen als routine worden uitgevoerd in elk laboratorium, terwijl andere enkel in gespecialiseerde laboratoria of in een onderzoeksomgeving kunnen worden uitgevoerd. Een retrospectieve analyse van meer dan 11000 patiënten met MM heeft duidelijk aangetoond dat volgende factoren prognostische waarde hebben:

3.7.1 Klinische parameters

  • leeftijd ( < of > 60j)
  • algemene toestand (goed vs slecht)

3.7.2 Labparameters

  • ß 2-microglobuline (< of > 3.5mg/dl)
  • albumine (> of < 3.5 g/l)
  • creatinine (normaal vs gestegen)
  • LDH (normaal vs gestegen)
  • CRP (normaal vs gestegen)
  • hemoglobine (> of < 10g/dl)
  • bloedplaatjes ( > of < 130000/μl)

3.7.3 Gespecialiseerde onderzoeken

  • plasmaceluitzicht : onrijpe plasmacellen of plasmablasten gaan gepaard met een minder goede prognose
  • chromosoomonderzoek : minder dan 46 chromosomen, afwijking chromosoom 13
  • PETscan : de aanwezigheid van haarden buiten het bot en beenmerg doen het vaak minder goed
  • genetisch profiel: deze test is nog volop in de onderzoeksfase