HomeMedisch WoordenboekLinksSitemapContact

3.8.2 Standaardbehandeling van myeloom

De standaardbehandeling is gebaseerd op klinische studies waarin werd aangetoond dat ze veilig en doeltreffend is. Standaardbehandelingen, die ook wel conventionele behandelingen worden genoemd, omvatten één of meerdere van de volgende therapieën:

3.8.2.1. Chemotherapie

het gebruik van geneesmiddelen die intraveneus of via de mond worden toegediend om kankercellen te doden. De behandeling kan een enkel agens (middel) bevatten, of een combinatie van agentia (= polychemotherapie), en wordt gewoonlijk toegediend in cycli. De meest gebruikte combinatie is VAD (vincristine of Oncovin®‚ doxorubicine‚ en dexamethasone); anderzijds wordt nog vaak Alkeran® (melfalan) via de mond (per os) of intraveneus, gebruikt. Tweedelijnsschemata zijn bijvoorbeeld combinaties van Endoxan® (cyclofosfamide) en Vepesid® (etoposide), DCEP (dexamethasone, cyclofosfamide, etoposide en platinum), en DT-PACE (dexamethasone, thalidomide, platinum, doxorubicine, cyclofosfamide en etoposide). Bijwerkingen kunnen bestaan uit misselijkheid, haarverlies, en onderdrukking van het beenmerg met daling van vooral witte, maar ook rode bloedcellen en bloedplaatjes tot gevolg.

3.8.2.2. Cortico(stero)ïden

Geneesmiddelen die lijken op cortisone, dat van nature wordt geproduceerd door de bijnier, en vaak worden gebruikt ter bestrijding van ontsteking. Prednisone wordt soms alleen gebruikt, maar dikwijls gecombineerd met Alkeran® (melfalan) omdat de combinatie een beter antwoord uitlokt, dan elk van de geneesmiddelen apart.

Dexamethasone, een ander vaak gebruikt steroïde, is krachtiger dan prednisone. Dexamethasone kan ook worden gecombineerd met andere therapeutische agentia, zoals thalidomide of natuurlijk in het VAD-schema (zie hoger). Deze medicatie veroorzaakt soms stemmingswisselingen, slapeloosheid en toegenomen nervositas, spierpijnen of forse verbetering van de eetlust. Het kan leiden tot ontregeling van de bloedsuikerspiegel.

3.8.2.3. Chemotherapie in hoge dosis en autologe stamceltransplantatie

Hoge dosis chemotherapie vernietigt meer myeloomcellen dan conventionele behandelingen, maar doodt ook een belangrijk deel van de bloedvormende cellen in het beenmerg. Stamceltransplantatie vervangt deze belangrijke cellen. Bij autologe transplantatie worden stamcellen bij de patiënt afgenomen voor de hoge dosis behandeling. Dit is de meeste gebruikte procedure, waarbij men geen donor moet zoeken (patiënt levert zelf eigen stamcellen). Deze procedure gaat met minder complicaties gepaard dan andere (allogene) vormen van transplantatie (zie lager). Na hoge dosis chemotherapie (soms met radiotherapie), worden de stamcellen via een catheter terug toegediend.

Bij een tandem autologe stamceltransplantatie, worden twee autologe transplanten uitgevoerd binnen (klassiek) 6 maanden. Recente resultaten suggereren dat twee cycli hoge dosis therapie bij patiënten met stabiele of goed reagerende ziekte na eerstelijnsbehandeling, mogelijks betere resultaten oplevert dan een éénmalige hoge dosis behandeling.

3.8.2.4. Allogene transplantatie

Allogene transplantatie betekent het toedienen van stamcellen van een andere persoon (een zogeheten compatibele donor). Deze donor kan een familielid (vrijwel steeds een broer of zus), of geen familielid zijn (een zogeheten niet verwante donor). Voorwaarde voor deze transplantatie is een goede weefselovereenkomst (de zogeheten HLA-compatibiliteit) tussen donor en patiënt. Dit type transplant is geassocieerd met meer risico's: vooral infecties en de zogenaamde omgekeerde afstotingsziekte of "graft-versus-host ziekte" ("ent-tegen-gastheer" ziekte). Hierbij wordt het weefsel van de patiënt aangevallen door de stamcellen van de donor; dit kan levensbedreigende situaties opleveren. Deze methode wordt vooral toegepast bij jongere patiënten. Een andere benadering bestaat uit een initiële autologe transplantatie, gevolgd door een mini-allogene transplantatie. Hierbij ondergaat de patiënt eerst hoge dosis therapie, gevolgd door reïnfusie van de eigen stamcellen. Na recuperatie volgt een tweede behandeling, deze keer ondersteund door de infusie van allogene stamcellen. Het eerste luik van de behandeling reduceert aldus de tumormassa, terwijl de tweede transplantatie poogt de overblijvende myeloomcellen te doden door een soort afweerreactie uit te lokken. De gezonde donorcellen herkennen de afwijkende kwaadaardige cellen en kunnen hiertegen reageren: het zogenaamde "graft-versus-myeloma effect". Neven-effecten van alle vormen van transplantatie kunnen ondermeer bestaan uit misselijkheid, overgeven, diarree, vermoeidheid en orgaanbeschadiging (vooral hart, longen, nier of lever). Daarnaast bestaat een verhoogd risico op infecties door onder andere een tijdelijke maar uitgesproken daling van de witte bloedcellen.

3.8.2.5. Radiotherapie

Het gebruik van bestraling om de kankercellen te beschadigen en te voorkomen dat ze groeien. Radiotherapie wordt vooral gebruikt om een zeer pijnlijk of bedreigend letsel (bijvoorbeeld t.h.v. het ruggemerg) te behandelen.