HomeMedisch WoordenboekLinksSitemapContact

3.11 Medisch woordenboek

  • Adhesiemoleculen: struktuurtjes op het oppervlak van de cellen waardoor wisselwerking tussen cellen mogelijk is, te vergelijken met een slot en een sleutel.
  • Amyloidose: ziekte veroorzaakt door een abnormale neerslag van eiwitten in de lichaamsweefsels
  • Anemie: een daling van het aantal rode bloedcellen in het bloed.
  • Angiogenese: proces van de vorming van nieuwe bloedvaten. Angiogenese komt voor bij weefselherstel maar helpt tumorcellen ook om te overleven en te groeien.
  • Antilichaam: of immunoglobuline (Ig) genoemd. Eiwit dat door plasmacellen wordt geproduceerd om het lichaam te beschermen tegen infecties.
  • B-cel of B-lymfocyt: Witte bloedcel die leidt tot een plasmacel.
  • Beenmergstroma: cellen in het beenmerg die de bloedproducerende cellen helpen ondersteunen en voeden.
  • Beenmerg: zacht, sponsachtig weefsel dat in het centrum van vele botten te vinden is, waar bloedcellen worden geproduceerd.
  • Beenmergaspiratie: opzuigen van vloeistof en cellen van het beenmerg via het plaatsen van een naald in het borstbeen of in het bekken.
  • Beenmergbiopsie: verwijdering van beenmergweefsel uit het bekkenbeen door middel van een naald.
  • Beenmergplasmocytose: aantal of percentage plasmacellen in het beenmerg.
  • Bence Jones-proteïne: zie Lichte keten.
  • Beta-2-microglobuline (b2-microglobuline of b2-M): een eiwit dat normaal voorkomt op het oppervlak van verschillende cellen in het lichaam. Verhoogde serumspiegels komen voor bij ontstekingsziekten en bepaalde lymfocytaandoeningen zoals myeloom.
  • Bloedplaatjes: kleine celfragmenten in het bloed die helpen bij de stolling.
  • C-reactief proteïne (CRP): een eiwit dat door de lever wordt geproduceerd bij ontsteking. De serumspiegels van CRP verhogen bij ontstekingsziekten en kanker, zoals myeloom.
  • Calcium: mineraal dat belangrijk is voor de botvorming. Verhoogde serumspiegels of hypercalcemie komen voor bij ernstige botletsels.
  • Chemotherapie: het gebruik van geneesmiddelen in de behandeling van kanker.
  • Chromosoom: een ketenachtige structuur in een levende cel die erfelijke informatie bevat.
  • Computertomografie (CT) of Computerized axial tomography (CAT): beeldvormingtechniek die een computer gebruikt voor het maken van tweedimensionale röntgenfoto’s.
  • Creatinine: een product van het energiemetabolisme van de spier dat normaal gezien uit het bloed wordt gefilterd en in de urine wordt teruggevonden. Verhoogde bloedspiegels kunnen wijzen op een verminderde nierfunctie.
  • Cytokines: chemische boodschappers, afgescheiden door cellen, met als functie invloed uit te oefenen op andere cellen.
  • Elektroforese: laboratoriumtest die gebruikt wordt om de spiegels van verschillende eiwitten in het bloed of de urine te meten. Maakt gebruik van een elektrische geleiding om de eiwitten in te delen volgens hun lading.
  • Genetisch: betrekking hebbend op het erfelijk materiaal.
  • Hematologisch: met betrekking tot het bloed.
  • Hypercalcemie: aandoening die wordt gekenmerkt door verhoogde calcium spiegels in het bloed tgv een verhoogde botafbraak.
  • Hyperviscositeit: stroperigheid van het bloed door een verhoogd eiwitgehalte waardoor de doorstroming van de kleine bloedvaten bemoeilijkt wordt.
  • Immuno-elektroforese: of immunofixatie-elektroforese : soort elektroforese waarbij een speciale kleurtechniek voor antilichamen wordt gebruikt om specifieke soorten immunoglobulinen en lichte ketens in het licht te stellen.
  • Immunoglobulinen (Ig): zie antilichaam
  • Interleukine 6 (IL-6): een groeifactor voor maligne plasmacellen.
  • Intraveneus: rechtsreeks in een ader (IV)
  • Kernspintomografie (magnetic resonance imaging – MRI): beeldvormingtechniek die magnetische energie gebruikt om gedetailleerde beelden te maken van het bot en de zachte weefsels.
  • Klonale plasmacellen: groep van plasmacellen afkomstig van één enkele voorloper
  • Laktaatdehydrogenase (LDH): een enzym dat in de lichaamsweefsels wordt gevonden. Verhoogde bloedspiegels komen voor bij weefselbeschadiging of bij een snel groeiende tumor.
  • Lichte keten: een van de korte proteïneketens die een molecule immunoglobuline uitmaken. Kunnen van het kappa- of lambdatype zijn. Lichte ketens die door myeloomcellen worden aangemaakt en in de urine terecht komen worden ook Bence Jones-proteïnen genoemd.
  • Lichte keten ziekte: vorm van multipel myeloma waar enkel de lichte ketens van de antilichamen gevormd worden. Hierdoor vindt men vaak geen paraproteine in het bloed maar wel in de urine.
  • Lymfocyt: kleine witte bloedcel die essentieel is voor eennormale functie van het immuunsysteem : er bestaan tweetypes (T-lymfocyt of B-lymfocyt).
  • Maligne: kwaardaardig
  • Monoclonale gammopathie van onbepaalde significantie(MGUS): een asymptomatische aandoening, die wordt gekenmerktdoor de aanwezigheid van monoclonaal proteïne in hetserum of de urine. MGUS kan zich ontwikkelen tot myeloom.
  • Monoclonaal (M) proteïne of paraproteine: identiekimmunoglobulineproteïne dat wordt geproduceerd doormyeloomcellen. M-proteïne kan gevonden worden in hetbloed of de urine.
  • Myeloom gerelateerde symptomen: klachten veroorzaaktdoor de aanwezigheid van multipel myeloom (bloed armoede,verhoogde calciumspiegel in het bloed, botpijnen, nierfunctiebeperking,…)
  • Non Hodgkin lymfomen: benaming voor alle kwaadaardigeklierziekten. Multipel Myeloom behoort ook tot deze ziektefamilie.
  • Osteoclast: botafbrekende cel die in combinatie met botvormende cellen werken om het bot te herstellen.
  • Osteolytisch letsel: zachte plek in het bot waar het botweefsels werd vernietigd. Het letsel ziet eruit als een opklaring op een standaard botradiografie.
  • Osteoporose: veralgemeende ontkalking van het gebeente
  • Palliatief: bedoeld om symptomen te verminderen en pijn te verlichten in plaats van het wijzigen van de loop van de ziekte.
  • Paraproteïne: zie monoclonaal proteïne.
  • Plasmacel: een witte bloedcel die antilichamen secreteert en zich ontwikkelt vanuit een B-cel.
  • Plasmablast: onrijpe plasmacel.
  • Plasmocytoom: tumor die bestaat uit maligne plasmacellen die kan voorkomen in bot of zacht weefsel. Patiënten met een plasmocytoom kunnen myeloom ontwikkelen.
  • Radiotherapie: behandeling van kanker d.m.v. stralen.
  • Radiotherapeut: arts die kanker behandelt door gebruik van stralen.
  • Refractaire ziekte: ziekte die niet reageert op de uitgestelde therapie.
  • Recidief: terugkeer van de ziekte
  • Röntgenfoto’s van het skelet: een serie radiografieën van de schedel, ruggengraat, armen, ribben en benen.
  • Rode bloedcellen: zuurstoftransporterende bloedcel.
  • Ruggemergcompressie: druk op het ruggenmerg door een ingedrukte wervel of een wervel aangetast door MM met als gevolg uitval van zenuwen.
  • Stamcel: moedercel die groeit en zich deelt om rode bloedcellen, witte bloedcellen en bloedplaatjes te produceren. Bevindt zich voornamelijk in het beenmerg, maar ook in het perifeer bloed.
  • Stamceltransplantatie: therapeutische procedure waarbij beenmerg- of perifere bloedstamcellen worden verzameld, opgeslagen en aan de patiënt worden toegediend na een hoge dosis chemotherapie om zo de productie van bloedcellen te herstellen.
  • Systemische therapie: behandeling dmv geneesmiddelen die alle cellen van het lichaam kan bereiken.
  • Ureumgebonden stikstof in het bloed (blood urea nitrogen – BUN): een bijproduct van het proteïnemetabolisme dat normaal uit het bloed wordt gefilterd en in de urine wordt teruggevonden. Verhoogde bloedspiegels kunnen wijzen op een verminderde nierfunctie.
  • Vasculaire endotheel groeifactor (VEGF): een van de belangrijkste groeifactoren die angiogenese bevorderen.
  • Witte bloedcel: ook leukocyt genoemd. Een van de belangrijkste celtypes in het bloed. Verantwoordelijk voor de verdediging tegen infektie.
  • Zware keten: Een van de lange eiwitketens die samen met 2 lichte ketens een immunoglobuline vormen.