HomeMedisch WoordenboekLinksSitemapContact

5.2 Geschiedenis

    Jan Gösta Waldenström (17 april 1906 – 1 december 1996) werd geboren in Stockholm en kwam uit een medische familie: zijn vader was professor in de orthopedische chirurgie in Stockholm en zijn grootvader professor in de inwendige chirurgie in Uppsala.
    In 1944, beschreef dokter Jan Waldenström de ziekte in de Acta Medica Scandinavica. Bij twee van zijn patiënten ontdekte hij dat het bloed stroperig was, dat ze bloedarmoede hadden, te weinig bloedplaatjes en een hoge bezinkingswaarde. Ze vertoonden ook opgezette lymfeklieren. Beide patiënten hadden geen botletsels, hadden ook geen klachten over botpijn. Er kon dus niet onmiddellijk sprake zijn van multipel myeloom. Dokter Waldenström stelde zich de vraag of dit al dan niet een nieuw syndroom was.

    Het onderzoek naar de ziekte van Waldenström kwam slechts traag op gang.
    In 1961 stelde men vast dat een ongecontroleerde groei van een bepaalde soort witte bloedcellen, de lymfocyten, een eiwit produceren, het IgM-immunoglobuline.
    Wij hebben in ons lichaam drie soorten immunoglobulines, IgG, IgA en IgM, die we nodig hebben om ons te verdedigen tegen infecties; maar bij deze ziekte wordt er te veel van slechts één soort aangemaakt, het IgM dus, waardoor de patiënt uiteindelijk minder weerstand heeft dan normaal.
    Hierbij werd aangetoond dat deze immunoglobulines veel groter zijn dan die bij multipel myeloom. De ziekte van Waldenström staat dan ook bekend als macroglobulinemie.

    Pas in 2000 had in Washington de eerste internationale conferentie over WM plaats op initiatief van de International Waldenstrom’s Macroglobulinemia Foundation (IWMF).

    Ondertussen staat de wetenschap al vele stappen verder. Nochtans wordt onderzoek nog altijd bemoeilijkt door het gebrek aan vergelijkend studiemateriaal. Vooruitgang in de behandeling van de ziekte van Waldenström wordt gehinderd door een aantal belangrijke factoren: de afwezigheid tot voor kort van duidelijke diagnostische criteria, de oudere leeftijd van de gemiddelde patiënt, en de zeldzaamheid van de aandoening.
    Er is (nog) geen goed laboratoriummodel voor de ziekte beschikbaar, en de vooruitgang in de behandeling is dan ook grotendeels afhankelijk van de resultaten van experimentele behandeling van echte patiënten. Deze experimentele behandeling is dan ook vaak afgeleid vanuit de behandeling van multipel myeloom of chronische lymfatische leukemie patiënten.