In het kort kunnen we de ziekte omschrijven als een kwaadaardige woekering van een type witte bloedcellen, de lymfocyten. Ze kenmerkt zich door een hoge aanwezigheid van een abnormaal afweereiwit, IgM, en een langzaam progressief verloop.
5.3.1 Lymfocyten
Om de ziekte beter te begrijpen is het nuttig enige voorkennis te hebben van de celvorming in ons beenmerg (hematopoiese), van de lymfocyten en de immunoglobulinen, vooral dan IgM.
Hematopoiese is het proces waarbij bloedcellen groeien, zich delen en differentiëren in het beenmerg.
Rode en witte bloedcellen en bloedplaatjes hebben een beperkte levensduur. Zij dienen daarom voortdurend vervangen te worden door nieuwe cellen. De stamcellen in het rode beenmerg zorgen hiervoor. Deze stamcellen kunnen uitrijpen (differentiëren) tot verschillende soorten bloedcellen.
Het ontwikkelingsproces van een stamcel in het beenmerg verloopt als volgt:
-
onder invloed van groeifactoren gaat de cel zich delen. Na de celdeling zal één stamcel overblijven (deze zal zich na een tijd weer opnieuw delen), terwijl de andere cel zich verder zal ontwikkelen tot de voorloper van een bloedcel of tot bloedplaatjes.
-
Heeft de stamcel een keuze gemaakt om uit te rijpen richting lymfocyt, dan maakt die een aantal fases door. Uiteindelijk ontstaat een rijpe, goed functionerende lymfocyt die kan door ontwikkelen tot plasmacel.
Het menselijk lichaam telt meer dan een triljoen lymfocyten.
In het bloed zijn :
- 10% B-lymfocyten (of B-cellen) die zich in het beenmerg volledig ontwikkelen tot plasmacellen die bepaalde eiwitten aanmaken (antilichamen of immunoglobulinen). Zij helpen het lichaam zich te beschermen tegen ziektekiemen (bacteriën of virussen);
- 75% T-lymfocyten (of T-cellen) die als onrijpe cellen het beenmerg verlaten hebben en door de bloedstroom naar de schildklier (of thymus) gaan om zich daar verder te ontwikkelen tot rijpe T-cellen. Deze kunnen direct een afweerreactie geven (bv. gericht tegen een door een virus geïnfecteerde cel), maar zijn ook nodig om de
B-cellen te ondersteunen;
- de overige 15% zijn NK-cellen (natural killer cellen), een witte bloedcel die in het immuunsysteem van de mens de eerste verdediging vormt tegen vreemde indringers.
Tijdens de groei en de ontwikkeling van de lymfocyten kan er een verstoring optreden. Het stadium waarin de cel zich bevindt op het ogenblik van de kwaadaardige ontwikkeling, geeft aanleiding tot het onderscheiden van een grote groep aandoeningen die onderling sterk verschillen:
- non-Hodgkin lymfomen,
- de ziekte van Hodgkin,
- multipel myeloom (de ziekte van Kahler).
Wanneer de kwaadaardige verstoring optreedt vóór de B-lymfocyt een rijpe plasmacel wordt, is WM een resulterende aandoening, die ingedeeld wordt bij de non-Hodgkin lymfomen van het B-cel type. Vandaar ook de medische indicatie van deze ziekte als lymfoplasmacytoïd lymfoom: het gaat om een cel die kenmerken vertoont van zowel een lymfocyt als een plasmacel.
Plasmacellen zijn nodig voor onze afweer, ze maken antistoffen aan, elke plasmacel zijn eigen specifieke (unieke) antistof. Bij WM rijpen de kwaadaardige B-lymfocyten uit naar plasmacellen die een enorme hoeveelheid van slechts één abnormaal eiwit produceren, dat qua type een immunoglobuline van het IgM-type is.
Immunoglobulinen (Ig) zijn eiwitten die heel belangrijk zijn om lichaamsvreemde stoffen op te ruimen en om infecties te bestrijden. Er zijn vijf types: IgG, IgM, IgA, IgE en IgD.
IgG wordt beschouwd als de meest typische antistof en is in het normale menselijke bloed ook het belangrijkste immunoglobuline.
IgM wordt vaak aangeduid als macroglobuline (vandaar de naam Waldenströms macroglobulinemie) omwille van zijn grootte.
Een aanmaak van één specifiek immunoglobuline gaat vaak ten koste van andere immunoglobulinen, waardoor het afweersysteem niet goed meer werkt tegen infecties.
5.3.2 Hoe vaak komt WM voor?
Het is een erg zeldzame ziekte, met naargelang de bronnen een wat variërende frequentie tussen de 1 en 4 nieuwe gevallen per miljoen inwoners per jaar.
De meeste patiënten zijn wat ouder, met een mediane leeftijd bij diagnose rond de 65 jaar en de meerderheid van de patiënten ouder dan 75.
Mannen zijn dubbel zo frequent aangetast als vrouwen. Vooral in het blanke ras komt de ziekte voor. Bij ongeveer 5% is er een ander familielid aangetast, nog eens 15% heeft een familielid met een aanverwante hematologische aandoening. Bij de overgrote meerderheid is er dus geen sprake van een erfelijke factor.
Interessant zijn volgende cijfers van de Belgische Stichting Kankerregistratie:
In België werden in 2006 102 nieuwe diagnoses van patiënten met de ziekte van Waldenström geregistreerd, 66 mannen en 36 vrouwen.
Ter informatie, bij deze 102 diagnoses werden er 39 (24 mannen en 15 vrouwen) omschreven als lymfoplasmacytoid lymfoom en 63 (42 mannen en 21 vrouwen) als Macroglobulinemie van Waldenström.
Dit wijst er toch op dat de incidentie van deze aandoening hoger ligt dan algemeen in de literatuur wordt vermeld.
5.3.3 Wat veroorzaakt WM?
Over de juiste oorzaak van de ziekte is weinig bekend.
Enkele studies wijzen op hepatitis C en auto-immuniteit (waarbij antistoffen reageren tegen eigen weefsels) in de ontwikkeling van de ziekte. Vaak is de rol hiervan onduidelijk.
Wellicht spelen ook genetische factoren mee, zoals blijkt uit familiestudies. Toch kan men tot op heden geen eenduidige genetische afwijking aantonen.
Soms ziet men in de kern van de afwijkende witte bloedcellen een breuk op chromosoom 6 (de zogenaamde deletie 6q21-22). Men kan met gevoelige technieken deze afwijking terugvinden bij ongeveer de helft van de patiënten. Het is niet duidelijk hoe de breuk ontstaat en de betekenis hiervan moet nog achterhaald worden.
Samenvattend zouden we kunnen zeggen dat er over de mogelijke oorzaken van de aandoening op dit moment alleen aanwijzingen bestaan, geen bewijzen.