
|
Roger Van Snick Op 20 november 2003, ’s avonds, kwam er een telefoontje van de huisarts: “de resultaten van de scanner zijn binnen. Kom direct bij mij en breng uw vrouw mee.” Hij wou telefonisch niks kwijt, alleen “dat het ernstig was en er zeer dringend moest gehandeld worden.” Op mijn vraag of ik kanker had, antwoordde hij alleen: “misschien”. Ik kan je verzekeren dat de moed in mijn schoenen zakte. Bij de huisdokter kreeg ik dan te horen dat er een tumor van een 6-tal cm was vastgesteld in de liesstreek, op het bot, maar dat er bijkomende onderzoeken nodig waren om te zien of het een primaire of een secundaire tumor was. Die avond nog legde de huisarts zelf afspraken vast voor onderzoeken in het AZ-Jette. Ik heb toen 2 nachten praktisch niet geslapen (en mijn vrouw ook niet). Veel verdriet, protest tegen dat onrecht, bang en vrees voor het ergste: terminaal zijn. In de maand november volgden de bloedonderzoeken mekaar op, afgewisseld met beenmergpunctie, PET- en botscanner. En bij elke consultatie steeds hetzelfde: we zijn nog niet zeker, meer onderzoeken nodig. Op 29 december 2003 kreeg ik dan het definitieve verdict: je hebt de ziekte van Kahler, een kwaadaardige bloedkanker met aantasting van het beenmerg. En geloof het of niet: ergens was ik blij: eindelijk die onzekerheid weg, eindelijk weet ik het, eindelijk kan ik beginnen met die kanker te bevechten. De dokter stelde me ook voor om deel uit te maken van een studie. Dit hield in dat er een tweede stamcellentransplantatie zou uitgevoerd worden, met de mogelijkheid om een nieuw geneesmiddel toegediend te krijgen. Ik ging daarmee akkoord. Direct na Nieuwjaar 2004 begonnen er bestralingen van de tumor, om het broos worden van het bot te voorkomen. Dan de chemobehandelingen: viermaal VAD (telkens 5 dagen hospitalisatie, drie weken thuis, terug 5 dagen hospitalisatie….). Tussendoor nog een virale infectie, een dubbele oorontsteking en een licht hartinfarct (dit laatste als gevolg van stress en de zware chemo die ik in mei gekregen had om de stamcellen te mobiliseren. Begin juni was er afname van stamcellen (genoeg voor drie transplantaties) en op 6 september 2004 werd ik opgenomen voor de eerste stamcellentransplantatie. Eerst nog een chemo om in het bloed plaats te maken voor nieuwe stamcellen, en dan kwam dag 5: T-Day, Transplantatiedag. Ik voelde me zo geluikkig: de opbouw begon weer, het positieve na al die negatieve handelingen. Op een dag of twee na viel dat verblijf in een steriele kamer nog mee. Na drie weken mocht ik naar huis, en ik zat vol zelfvertrouwen en energie. Maar de dokter waarschuwde: je zal je thuis veel ellendiger voelen dan hier, je voeding zal niet smaken, veel braken, grote moeheid … En hij had gelijk: het werden twee rotweken. Maar stilaan beterde het: nog steeds mini-porties als voeding, maar stilaan bleef het eten binnen, verdwenen de braakneigingen. Ik kon al eens buiten, het per auto rijden was een ontspanning, en we deden mee aan zoektochten. Eind december kon ik praktisch alles terug aan, maar 3 januari 2005 was gepland voor de tweede transplantatie. Zelfde behandeling als in september, maar nu viel het verblijf in de steriele kamer niet zo goed mee. Lusteloosheid was het grootste probleem. Maar de dokters zeiden dat ik het uitstekend deed. Ik vestigde zelfs een nieuw record om uit aplasie te komen (dit is het terug verschijnen van witte bloedcellen in het bloed). Ik mocht vervroegd terug naar huis, maar helaas, dat was buiten enkele pneumokokken gerekend: infectie van de rechterlong (longontsteking) hield me één week langer dan voorzien in het ziekenhuis. Maar op 30 januari 2005 mocht ik de deur van de steriele kamer achter me dichttrekken. De dokters raadden me wel aan nog veel te rusten: de beentjes gestrekt, en “la vie de pépé”. En daar ben ik nu volop mee bezig, met de zekerheid dat het alle dagen een beetje beter zal gaan en in de vaste overtuiging dat ik die rotkanker aan het overwinnen ben. Roger |